De mens was voor het laatst ‘natuurinclusief’ toen hij actief als jager/verzamelaar zijn kostje bij elkaar moest scharrelen. Zelfs toen was er impact op de natuur, die op een gegeven moment uitgeput raakte en dan trok de mens naar een andere plek. Een onzeker nomadenbestaan waarbij de aarde niet meer dan enkele tientallen miljoenen mensen van voeding kon voorzien.
Toen kwam de boer. Hij ploegde de natuur om en ging voedsel verbouwen. Natuurinclusief was hij derhalve per definitie niet, hoewel de natuur wel altijd een grote rol bleef spelen. Ziekten en plagen, maar ook weersperikelen, bodemeigenschappen en gewaseigenschappen. De boer is en blijft afhankelijk van de natuur en maakt er het beste van, met alle hulpmiddelen die hij daarvoor kan inzetten. Met vallen en opstaan verbeterde de mens de opbrengst van een hectare.